Historie 1

De St. Martinuskerk

ligt midden in het dorp, nabij het marktplein. Op de plaats van de huidige kerk stond tot 1888 een kleinere romaans-gotische kerk, waarschijnlijk al vanaf het midden van de 13e eeuw.

 

Tussen 1633 en 1685 hebben de Staten-Generaal in Staats-Limburg (de ‘Landen van Overmaze’), in plaatsen waar maar één kerk stond, het zogenoemde simultaneum ingevoerd; in Beek bleef dit van 1683 tot 1830 bestaan. In de 17e eeuw stonden in de kerk altaren die gewijd waren aan respectievelijk het H. Kruis, O.L. Vrouw en de H. Nicolaas.

 

In 1883 oordeelde pastoor Petrus Hillen reeds dat de bouwvallige kerk vernieuwd moest worden. Het kerkbestuur gaf in 1887 opdracht aan Lambert von Fisenne, een Duits architect uit Gelsenkirchen, om een kerk in neo-romaanse stijl te ontwerpen. In 1889 waren priesterkoor, transept en sacristie gereed.

 

Tijdens een volgende bouwfase (1892-1893) werden middenschip en zijbeuken vernieuwd en het bovenste deel van de toren afgebroken. Aangezien de kerk van Von Fisenne niet meer zitplaatsen bevatte dan de oude kerk, werd een uitbreiding snel noodzakelijk.

 

In 1909-1910 werd, naar een ontwerp van Jos Cuypers en Jan Stuyt, het schip verlengd. Daartoe werd de oude toren gesloopt en verrees een nieuwe kerktoren. Qua stijl sloten Cuypers en Stuyt aan op Von Fisennes werk.

 

Na Martinus is Lucia de tweede patroon van de kerk. Rechts van het hoofdaltaar is een Luciakapel; het altaar en drie gebrandschilderde ramen hierin zijn geschonken door baron De Rosen uit Beek. Het gepolychromeerd houten Lucia-altaar (1896) is ontworpen door Von Fisenne en uitgevoerd door atelier Ramakers uit Geleen. Op het middenreliëf is Lucia aangebracht, gezeten op een troon boven het graf van keizer Diocletianus, die zij heeft overwonnen. Links en rechts van haar knielen een man en een vrouw. Boven haar zijn twee engelen. Een engel draagt een kroon voor Lucia, een teken van haar heiligheid. De andere engel draagt een palmtak, een teken van haar martelaarschap. Het linkerreliëf beeldt Lucia uit op het moment dat zij voor de rechter verschijnt; ook de keizer is hierbij aanwezig. Het rechterreliëf stelt Lucia voor die met geen paardenkracht van haar plaats is te krijgen. Dit tafereel verwijst naar de legende volgens welke Lucia’s vervolgers haar, zelfs met behulp van een span paarden (of ossen), niet naar een bordeel konden brengen. Ook op de drie gebrandschilderde ramen – een groot en twee kleine – staat Lucia afgebeeld. Op een van de kleine ramen staat Lucia met haar moeder bij het graf van de Heilige Agatha, op het andere staat Lucia voor haar rechters.

Cultusobject  – St. Lucia stierf de marteldood te Syracuse tijdens de vervolgingen onder de Romeinse keizer Diocletianus (284-305); haar feestdag is 13 december. Tijdens haar heilige leven zou zij met haar moeder, Eutychia, die aan bloedvloeiing leed, een bezoek hebben gebracht aan het graf van de H. Agatha, waarna de moeder genas. Vanwege dit onderdeel uit haar levensverhaal werd Lucia later aangeroepen tegen de ‘rode loop’, een besmettelijke vorm van dysenterie. Lucia wordt vaak afgebeeld met twee ogen op een schaal, een voorstelling die verwijst naar een ander onderdeel van haar vita, waarin zij haar beide ogen verloor, maar haar gezichtsvermogen op miraculeuze wijze terugkreeg.

 

De parochie beschikt over een ronde verguld koperen reliekhouder op een hoge voet (hoogte 50 cm) uit omstreeks 1900. Hierin bevindt zich een reliek van Lucia die is gevat in een ronde theca, met daaromheen in blauw en wit email de tekst: ‘H. Lucia – Maagd – Martelares’. Als bekroning draagt de houder een halve, open kroon. De aard van de relikwie is niet bekend; het bijbehorende certificaat is niet bewaard.

 

In de kerk staat een gepolychromeerd houten Luciabeeld (kort voor 1950 vervaardigd, hoogte 147 cm). Doorgaans staat het beeld links achterin de kerk tegen een pilaar. Op de feestdag van St. Lucia staat het beeld echter voorin de kerk, links van het altaar. Reeds in de 18e eeuw (of eerder) beschikte de Martinuskerk over een beeld van Lucia, blijkens een beschrijving uit 1744: ”t beeldt van S. Lucia heeft 2 klederen, een oude leggende op de pastorie, t’andere van rooden sijden damast met een (…) en daer op een witte lijne falie [schouderdoek met franjes]’. 

Verering  Ontstaan

Over de oorsprong van de Luciaverering in Beek bestaan twee lezingen.

1.

Eén daarvan is dat zij in de 12e eeuw is overgenomen van de Luciakapel in het klooster van ? Rolduc.

??? Sinds de kerkwijding op 13 december 1108  (1104?) werd aldaar de heilige vereerd en waren enkele relikwieën van de H. Lucia in het altaar opgeborgen. De verering kan naar Beek zijn overgegaan, omdat er banden tussen beide plaatsen bestonden: verschillende leenmannen van Rolduc woonden in Beek.

Daarenboven schonk Adelheid, weduwe van Reinier van Beek, in 1140 het pastoraat en de tienden van Spaubeek (nabij Beek) aan de abdij van Rolduc.

2.

De tweede, niet erg waarschijnlijke, lezing laat de verering beginnen na 1430, toen Beek onder de bestuurs-macht kwam van de hertog van Bourgondië. De devotie zou toen vanuit Brugge, waar al langer een intensieve Luciaverering bestond, in Beek zijn geïntroduceerd.

De Beekse franciscaan en kroniekschrijver Peter Treckpoel (15e eeuw) vermeldt dat in 1473 in het land van Overmaas, tijdens een epidemie van ‘rode loop’, ofwel dysenterie, de heilige om haar voorspraak werd gebeden. Omdat Beek in dit gebied ligt, wordt aangenomen dat de Luciaverering in dit dorp op zijn laatst in de 15e eeuw ingang had gevonden. Over speciale bedevaarten naar Beek ter ere van deze heilige vernemen we echter voor het eerst iets vanaf de jaren veertig van de 18e eeuw.